Theo Engelen

Schrijven lijkt op dromen. Zonder dat je het van tevoren kunt plannen duiken er verhalen op in je hoofd. Je weet vaak niet waar ze vandaan komen. Het verschil met dromen zit hem in het vervolg. Wanneer je de verhalen op papier gaat zetten moet je opeens aan allerlei dingen denken. Hoe vertel ik dit verhaal zo dat jongeren ook na de eerste vijf bladzijdes willen doorlezen? Door wiens ogen kijken we in het boek? Waar speelt het verhaal zich af en wanneer? Hoe bouw ik de hoofdstukken op?
Even voor de duidelijkheid. Dit gaat over mijn jeugdboeken. Voor mijn werk aan de universiteit van Nijmegen schrijf ik wetenschappelijke boeken. Daar gelden andere regels voor. Mijn eerste jeugdboek is nooit gepubliceerd. Dat schreef ik in 1992 toen mijn zoon Thijs acht jaar werd. Een idee van mijn vrouw. Thijs speelt in het boek een heldhaftige rol en het boek was alleen voor huiselijk gebruik bedoeld. Na Thijs’ verjaardag ben ik aan mijn eerste echte boek begonnen. Inmiddels heb ik er meer dan tien geschreven en mijn hoofd zit nog steeds vol verhalen.
Omdat ik geschiedenis heb gestudeerd komt het nogal eens voor dat een boek iets te maken heeft met het verleden. Waar ze ook over gaan, ik probeer mijn boeken altijd spannend te maken. Aangezien ik zelf vier kinderen heb weet ik hoe snel jongeren roepen dat iets ‘boring’ is.
Sommigen van jullie gebruiken een stukje als dit voor een boekbespreking. Voor hen nog wat ‘boring’ informatie: ik ben geboren in 1950 in het Limburgse dorp Geulle (pak je atlas!). Ik studeerde geschiedenis in Nijmegen en ben daar nu professor. O ja, en ik woon in Cuijk (heb je de atlas nog?). Bij uitgeverij Leopold verschenen van mij een verhaal in de bundel Vergeten Oorlog (2009) en het boek Oorlog in de klas (2010).

Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Wil je op de hoogte blijven van alle kinder- en jeugdboeken van Leopold, maar ook Ploegsma, Condor, Witte Leeuw en Zwijsen? Schrijf je dan nu in voor de Kinderboekennieuwsbrief!

Sluiten Schrijf in!