Aanvullende informatie bij Achter de Draad van Hans Kuyper

woensdag, 11 juni 2014

Nawoord

Over dit boekAFB-NIE-achter-de-draad-hans-kuyper

Het is een bekend verschijnsel, en misschien heb jij het ook weleens meegemaakt: Als je verliefd bent, lijken de liedjes die je hoort opeens allemaal over jou te gaan. En over hem of haar natuurlijk. Maar als de liefde weer over is, hebben alle zangers het plotseling alleen nog maar over liefdesverdriet. Hetzelfde kan gebeuren als er iemand in je omgeving doodgaat, of (laat ik ook iets vrolijks noemen) als je sportploeg kampioen is geworden.
In de maanden dat ik aan dit boek werkte kwam de dodendraad regelmatig onverwacht langs, terwijl ik er vóór die tijd nauwelijks iets over gehoord had. Zo voerde een wandeling die in de krant beschreven werd zomaar langs het monument bij Kinrooi. Er verschenen, in de aanloop naar het herdenkingsjaar 2014, meer en meer publicaties over de Eerste Wereldoorlog (en steeds haalde ik opgelucht adem als bleek dat ze over andere aspecten gingen dan juist mijn boek) en tijdens mijn vakantie in Normandië stond ik opeens voor een gruwelijk elektrisch hek, met prikkeldraad en al, een sterk verbeterde versie van de dodendraad, dat om een nucleaire fabriek op Cap de la Hague gebouwd was.
Maar de belangrijkste en meest bijzondere ervaring had ik op zondag 8 september 2013. Ik was in mijn eentje op de Veluwe om aan dit boek te werken, in de stilte van het Speulderbos. Dat had al goed uitgepakt; in een paar dagen tijd heb daar ik zo’n beetje alles wat ik eerder had bedacht en geschreven weggegooid, wat er nog overbleef veranderd en vervolgens het hele verhaal zoals het nu geworden is bij elkaar verzonnen.
Dus had ik wel een kopje koffie verdiend, die laatste zondag, en voor de gezelligheid zette ik even de televisie aan. Want ja, ik zat wel in het bos, maar in een fijn chaletje en ik was van alle gemakken voorzien.
Ik viel middenin het programma Boeken. Stefan Hertmans sprak over zijn roman Oorlog en terpentijn waarin hij de ervaringen van zijn grootvader in de Eerste Wereldoorlog beschrijft. Wat een toeval! En vooral, merkte ik toen ik het boek gekocht en gelezen had, wat een prachtig werk!
Maar het was het programma daarna dat de grootste indruk maakte. Dirigent Reinbert de Leeuw was jarig, hij werd 75 (nog van harte!), en om die reden werd er een documentaire uitgezonden waarin hij werd gevolgd bij het dirigeren van de Gurrelieder van componist Arnold Schönberg. Die muziek had ik nooit eerder gehoord. Het bleek een redelijk bombastisch orkeststuk waarin, zo zei De Leeuw zelf, de hele negentiende eeuw nog even werd samengevat. En ik keek, en ik luisterde naar die 356 musici via de waardeloze boxjes van een goedkope televisie, ik zag de dirigent in geconcentreerde extase op de bok staan – en ik huilde.
Eenmaal thuis heb ik meteen een cd van de Gurrelieder gekocht. Ik beluisterde hem via de heel wat betere boxjes van mijn geluidsinstallatie – en ik huilde nog veel harder.
Deze muziek vertelde hetzelfde verhaal als mijn boek! Ik hoorde het bos, de maanloze nachten, de ellende en de verschrikkingen, maar ook de zon en de hoop en de moed en de kracht en, en, en… alles. Alles!
Schönberg heeft deze muziek geschreven in het begin van de twintigste eeuw, begreep ik, de première was net een jaar voor het begin van de Eerste Wereldoorlog. Alles klopte, op een vreemde manier. En nog vreemder werd het toen ik in het boekje bij de cd de teksten las, geschreven door de Deense dichter Jens Peter Jacobson. ‘Laten wij onze pijlen verschieten met ongespannen boog, met holle ogen en beenderhanden, en jagen op de schaduwen…’
Zo’n beetje het hele muziekstuk bleek zich af te spelen in een nachtelijk woud – dat had ik dus goed aangevoeld. Het was geen toeval, besefte ik, dat ik die hemelse muziek op die plek en op dat moment, aan het eind van vier dagen nadenken en schrijven in het Speulderbos, voor het eerst mocht horen. Ik wist daardoor dat ik op de juiste weg was, dat ik een goed boek aan het schrijven was. En nu ik, twee maanden later al, dit nawoord schrijf, ben ik daar zelfs nog meer van overtuigd. Dat bedoel ik niet als opschepperij, ik kan er zelf ook niet zo veel aan doen. Het is me overkomen, daar op de Veluwe.
In de weken dat ik de definitieve versie van dit verhaal schreef, weer veilig thuis in mijn werkhokje aan het oude bureau van mijn vader, hebben deGurrelieder onophoudelijk geklonken uit de redelijke boxjes van mijn laptop. En eigenlijk zou je die muziek ook moeten beluisteren als je dit verhaal leest. Liefst ergens binnen, maar wel in de buurt van een raam. Het zou mooi zijn als je uitzicht hebt op een bos, of een park. Of tenminste op een boom. Kies een regenachtige dag in de zomer of de vroege herfst en houd een lekkere kop thee onder handbereik. Dan zit je er precies zo bij als ik, toen ik aan het schrijven was.
En mocht er iemand zijn die mijn boek wil verfilmen (graag!), dan hoeft er geen filmmuziek meer geschreven te worden.
Die is al af.

Als ik het bovenstaande nog eens teruglees, vind ik het des te vreemder dat het eerste idee voor dit boek niet van mijzelf afkomstig was. Begin 2013 had ik mijn jaarlijkse overleg met Manja Heerze en Eefje Buenen van Uitgeverij Leopold, en zij vroegen mij of ik wilde schrijven over de Eerste Wereldoorlog.
Zomaar opeens!
We aten broodjes geitenkaas en een kom tomatensoep in een Amsterdams restaurantje en ik weet nog hoe blij ik was toen ze met hun voorstel kwamen. Ja, natuurlijk wilde ik daarover een boek schrijven! En wat geweldig dat ze dat nou juist aan mij vroegen.
Wat een toeval – of niet? Wisten zij soms dat ik al mijn hele leven gefascineerd ben door de Grote Oorlog, al sinds de tijd dat meneer Wolfswinkel erover vertelde op het gymnasium in Alkmaar? Nee, dat wisten ze niet. Of misschien wisten ze het een beetje. Maar ze hadden zoiets in elk geval vermoed.
Daarom zijn zij ook zulke geweldige uitgevers.

Dit verhaal speelt honderd jaar geleden, tijdens de Eerste Wereldoorlog die door historici wordt beschouwd als het einde van de gruwelijke, maar ook dromerige negentiende eeuw. Toen die oorlog voorbij was, begon de nog veel gruwelijkere, haast droomloze twintigste eeuw, de tijd waarin ik ben opgegroeid. (Soms schrik ik weer als ik me bedenk dat de Tweede Wereldoorlog nog geen zeventien jaar was afgelopen toen ik geboren werd!) En vandaag lezen jullie dit boek, aan het begin van alweer een nieuwe eeuw die nog alle kanten op kan gaan.
De wereld lijkt er niet veel aardiger op geworden te zijn in de laatste jaren, maar er is nog tijd genoeg. We kunnen het tij keren, met z’n allen. Voor jullie, voor later. En in elk geval hoeven we voor een grote oorlog voorlopig niet bang te zijn, dankzij de Europese eenwording. Wees daar maar eens een keertje ontzettend blij om – er is door heel veel mensen heel hard voor gewerkt, in al die jaren. Het is nu aan mij, en later aan jullie, om die vrede te bewaren voor de kinderen die nog zullen komen.
Ik vertrouw op ons!

Veel van de gebeurtenissen in dit boek hebben daadwerkelijk plaatsgevonden, maar ik heb mezelf de vrijheid veroorloofd om tijden en plaatsen aan te passen aan mijn verhaal. Daarmee is Achter de draad history-fiction geworden: geen zuivere geschiedenisles, maar hopelijk wel een eerlijk en sfeergetrouw beeld van de Eerste Wereldoorlog aan de Belgisch-Nederlandse grens.
De plaatsen die ik beschrijf heb ik zelf namen gegeven (behalveNeerdonk, die naam is verzonnen door de fantasierijke professor Mart Bax), maar het zijn namen die verwijzen naar echte steden, dorpen en bossen. Met een beetje puzzelen kom je daar wel uit. En dan zul je merken dat Mars niet op een echt bestaande plek woont, maar dat de omgeving van de Kemkeshoeve is opgebouwd uit allerlei stukjes Nederland en België die in werkelijkheid soms meer dan honderd kilometer uit elkaar liggen. Geography-fiction…
Ook veel personages zijn gebaseerd op personen die echt hebben bestaan. Maar hier geldt opnieuw dat ik hen heb ‘omgewerkt’ – sommigen hebben weinig meer dan hun naam gemeen met historische figuren. Ik hoop niet dat ik daarmee hun eventuele nakomelingen beledigd heb; dat was in ieder geval zeker niet mijn bedoeling.
Om zo veel mogelijk over de dodendraad en de smokkelaars te weten te komen, ben ik een paar keer op reis geweest in de prachtige streek op de grens van Nederland en België. Ik raad je van harte aan om hetzelfde te doen, als je eens de tijd hebt. Er is ontzettend veel te zien en de natuur is er vaak adembenemend mooi.
In de afgelopen jaren zijn er reconstructies gemaakt van de dodendraad. Die dienen nu als vredesmonumenten, ter herinnering aan een vreselijke tijd die eigenlijk nog niet eens zo heel lang achter ons ligt. Je kunt ze, net als ik gedaan heb, onder andere bezoeken op de grens bij Budel, bij Weert en bij Baarle-Hertog-Nassau, dat bijzondere dorp waar Nederland en België op een vreemde manier doorelkaar gehusseld zijn.
Toch heb ik dit boek, zoals ik al zei, voornamelijk bedacht en deels geschreven op de Veluwe, in het midden van Nederland en ver weg van welke grens dan ook. Maar wél in een oud bos op zandgrond zoals je die ook in het zuiden van Brabant veel vindt. En ik ken het Speulderbos bij Ermelo na twintig jaar zo goed, dat ik er ’s nachts kan ronddolen zonder te verdwalen, net zo goed als Mars dat kan in zijn Kluisbos. Het mag niet, van Staatsbosbeheer, maar ik kán het wel. En ook op de Veluwe liggen de grafheuvels als veilige plekken verspreid tussen de bomen.

Bossen, bedenk ik opeens als een soort afsluitende gedachte, lijken gemaakt voor vrouwen. Het open veld is meer iets voor mannen.
Je kunt lange zwerftochten maken in een bos, maar rennen lukt minder goed zo gauw je van de paden af gaat. En omdat je er nooit heel ver vooruit kunt zien, krijg je als vanzelf meer aandacht voor het kleine en nabije dat vaak oneindig veel belangrijker is dan alle wijdse horizonten bij elkaar. Je bent er beschut voor regen en wind, er is koele schaduw en de stilte kan er nog volkomen zijn.
Laat de mannen maar druk rondhollen op de open terreinen, waar je zinloze sprintjes kunt trekken en lekker tekeer mag gaan met van die verschrikkelijke mannendingen als legers en grote kanonnen. In de angstige leegte blijft de horizon voor eeuwig buiten bereik en je wordt er gegeseld door de zon, de regen en de eeuwige wind.
Mannen houden zich op de vlakte. Vrouwen kunnen je heerlijk het bos in sturen.
Zoiets.
Vraag het anders maar aan Mars. Of aan Arnold Schönberg.
Of aan jezelf.

Verantwoording

Adressen, bedankjes, bronnen, een cd, nóg een boek – en een waarschuwing

De vriendelijke bewoners van de grensstreek hebben mij enorm geholpen met mijn onderzoek. Goed geïnformeerde boekhandelaren, enthousiaste medewerkers van de VVV, gastvrije caféhouders met verstand van de plaatselijke geschiedenis én van lekkere uitsmijters – ik wil ze hier allemaal hartelijk dank zeggen.
Een bijzonder drietal verdient het om met name genoemd te worden. Allereerst was daar Theo Cuijpers, adviseur cultuurhistorie van Erfgoed Brabant, die mij met een aantal zeer informatieve e-mails op weg hielp in het Brabantse. Ad Jacobs, voorzitter van Heemkundekring Amalia van Solms te Baarle-Hertog-Nassau, stapte op zijn vrije dag op de fiets om het prachtige Heemkundehuis in die plaats voor mij te ontsluiten (en het boek van Jan Vleugels aan mij te verkopen, zie onder). En Geert Stevens, directeur van het Grevenbroekmuseum in Hamont-Achel (België), onderbrak zijn reparatiewerk aan de stoep van het museum om mij een persoonlijke rondleiding te geven.
Ook twee mensen uit mijn eigen streek mag ik niet onvermeld laten. Kinderarts Eveline Vlaanderen (ja, zo heet ze echt – toeval bestaat niet) van de GGD Zaanstreek-Waterland zocht voor mij uit hoe een heel jonge baby zonder moeder kon overleven in een tijd dat er nog geen poedermelk of antibiotica bestonden – verreweg de meeste kinderen overleefden dat trouwens níét, begreep ik van haar, dus Reentje heeft erg veel geluk gehad. En Simon Verhoef van de Saense Handboog Skutters in Zaandam leerde mij omgaan met een traditionele handboog, met als resultaat drie dagen spierpijn maar gelukkig vooral ook weer nieuwe ideeën voor dit verhaal. Er hangt bijvoorbeeld in het clubhuis een bijzonder scherpe foto van een hand met een versplinterde pijl erin…

Ik was nog druk aan het schrijven toen Nanda Toebak haar voorstel voor een omslag al inleverde. Zo gaat dat vaak, boeken moeten al worden verkocht voordat ze goed en wel klaar zijn. Maar in dit geval kwam dat wel heel mooi uit. Nanda had, op mijn verzoek, een collage gemaakt van modder, prikkeldraad, porseleinen isolatoren en een Duitse soldaat (mét pickelhelm). Om een beetje ‘lucht’ in het ontwerp te brengen had ze, op eigen initiatief, ook een kindermond wat paardenbloempluis laten wegblazen.
Ik wist niet wat ik zag! Het was zo’n mooi beeld, zo’n contrast met alles wat er verder op haar ontwerp te zien was! En ik begreep meteen dat die paardenbloempluisjes heel belangrijk moesten worden – ik moest ze onmiddellijk in het verhaal verwerken. Zo heeft dat bijzondere idee van Nanda mij geholpen om Lijne een filosofie mee te geven, en Mars een doel tijdens zijn gevaarlijke tocht. Daar ben ik haar enorm dankbaar voor!

Toen mijn eerste versie af was, kwamen er weer nieuwe mensen in actie. Wendy Buenen deed de eindredactie en heeft mijn manuscript op liefdevolle wijze ontdaan van heel wat fouten en foutjes. Dat ze daarbij ook wat mooie, oude woorden (valies, kepi, hazenlepels) verwijderde, met het oog op de leesbaarheid, vergeef ik haar. Mijn eigen zoon Daan tekende een prachtige kaart van het verzonnen land rond de Kemkeshoeve en maakte het daarmee haast echter dan de werkelijkheid.

Tot slot ben ik veel dank verschuldigd aan Martijn Haneveer (ook weer een geweldige naam in dit verband) van de Bibiliotheek Cranendonck en Heeze, waar de bieb in Budel onder resorteert, die er met haar contacten en enthousiasme voor heeft gezorgd dat Achter de draad op maandagmiddag 14 april gepresenteerd kon worden waar het toch het meeste thuishoort: op de grens tussen Budel en Hamont-Achel, bij de reconstructie van de Dodendraad aan de Ruiterstraat.
Ook Magda Theuwis van de Werkgroep De Groote Oorlog rond de Kluis 1914-1918 heeft zich voor die bijeenkomst ingezet. Jef Plas hield een historisch referaat, Jules Cox (achterneef van de in 1917 aan de Draad gedode Eugène Cox) nam het eerste exemplaar in ontvangst en meester Roel Hoomans was aanwezig met zijn klas van De Wereldwijzer uit Budel. Allen grote dank – het werd een bijzondere en gedenkwaardige middag!

Natuurlijk heb ik ook veel gelezen voor ik aan dit boek kon beginnen. Ik heb heerlijke uren doorgebracht met de meest bijzondere boeken en scripties. De belangrijkste daarvan zet ik hieronder op een rijtje.

Andriessen, Hans, De Eerste Wereldoorlog in foto’s, Lisse 2002
Baks, Ans (samenstelling), Smokkelaar en Smokkelwaar, Verhalen en notities van illegale grensoverschrijdingen in de streek Cranendonck – Hamont-Achel, Maarheeze 2008
Begijn, Bart, Smokkelen om te overleven, De smokkel tussen Zeeland en het Belgisch grensgebied 1914-1945, op www.ethesis.net
Kammelar, Rob, Jacques Sicking en Menno Wielinga (samenstelling), De Eerste Wereldoorlog door Nederlandse ogen, Getuigenissen – verhalen – betogen, Amsterdam 2007
Mak, Geert, Ooggetuigen van de vaderlandse geschiedenis in meer dan honderd reportages, Amsterdam 1998
Peeters, Jef, Oorlogsherinneringen van een Spion, Mijne Vlucht naar Holland, Hasselt, z.j.
Thans, Hilarion, Mijn Oorlog, Mechelen 1921
Vleugels, Jan, De Rakkers der Grenzen, Ravels 1930, geannoteerde heruitgave Holven 2012
Waesberghe, Steven van, Smokkel in het Land van Waas tijdens de Eerste Wereldoorlog, op www.ethesis.net
Walter, George (samenstelling), In Flanders Fields: Poetry of the First World War, London 2004
Wolters, Lei en Hubert Van Eygen, De dodendraad aan de grens te Kinrooi, Kinrooi 2010

De volgende websites leverden ook, meer of minder, aanvullende informatie.

www.cupidoarchery.nl
www.dodendraad.org
www.erfgoedbrabant.nl
www.ethesis.net
www.internetgazet.be
www.roosendaaltoenennu.net
www.wereldoorlog1418.nl

Een mooie opname van Arnold Schönbergs ‘Gurrelieder’ vind je op de dubbel-cd Schoenberg Gurrelieder, Chamber Symphony No. 1, Verklärte Nacht van het Deutsches Symphonie Orchester Berlin onder leiding van dirigent Ricardo Chailly, Decca 1990/1993, 473 728-2.
Het is deze cd die bijna een maand onophoudelijk gedraaid heeft in mijn werkhuisje.

Achter de draad is niet het eerste jeugdboek waarin de dodendraad centraal staat, ontdekte ik. In 2008 verscheen Lied voor Lore van Hedwig van de Velde. Dat verhaal, begreep ik uit een artikel in de Provinciaals Zeeuwse Courant, gaat over Henk en Lore die in Koewacht wonen, een werkelijk bestaande plaats die deels in Nederland (Zeeuws-Vlaanderen) en deels in België ligt. Henk en Lore zijn verliefd, maar worden door de draad wreed van elkaar gescheiden.
Ik heb dat boek nog niet willen lezen, omdat ik bang was dat ik erdoor beïnvloed zou worden of (erger nog!) dat het zó mooi zou zijn, dat ik niet meer aan mijn eigen verhaal zou durven beginnen. Nu jij dit leest, en mijn werk dus echt helemaal af is, ga ik het onmiddellijk bestellen.
Wil jij dat ook? Het boek is uitgegeven door Davidsfonds/Infodok in Leuven, ISBN 9789059082557.

Tot slot een waarschuwing. Als je op het internet gaat zoeken naar websites over de Eerste Wereldoorlog of de dodendraad, kun je erg nare foto’s tegenkomen. Mijn verhaal was soms ook al niet zo vrolijk, gruwelijk zelfs hier en daar – dat heb je wel gemerkt. Maar een beeld kan veel meer indruk maken dan duizend woorden. Ik raad het je af.
Voor sommigen van jullie is dit misschien een aanleiding om juist te gaan zoeken. Dat zij dan maar zo. Voor hen en alle anderen: Ik heb je gewaarschuwd!

Hans Kuyper
Postbus 1266
1500 AG ZAANDAM
hanskuyper@hotmail.com

Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Wil je op de hoogte blijven van alle kinder- en jeugdboeken van Leopold, maar ook Ploegsma, Condor, Witte Leeuw en Zwijsen? Schrijf je dan nu in voor de Kinderboekennieuwsbrief!

Sluiten Schrijf in!