Vrienden over Tonke Dragt

< terug naar de pagina over Tonke Dragt

Wie is Tonke Dragt? Je kunt natuurlijk haar biografie lezen, maar misschien is het nog wel leuker om te horen wat vrienden over haar kunnen vertellen. Hier lees je over de eerste kennismaking tussen Tonke en Rindert Kromhout en over welke rol Tonke in het leven van Richard Thiel gespeeld heeft.

Hoe ik Tonke Dragt leerde kennen

Door Rindert Kromhout

De eerste keer dat ik een boek van Tonke Dragt las, kwam het plafond naar beneden. Ik woonde nog bij mijn ouders en was die dag jarig. Toen ik naar bed ging, nam ik Verhalen van de tweelingbroers mee, want ik had nog lang geen slaap. (Als ik ging slapen, zou mijn verjaardag voorbij zijn en dat wilde ik niet.) Het plafond zag er al dagenlang vreemd uit. Er was lekkage geweest en er zaten scheuren in de kalk. De volgende dag zou iemand het komen repareren.

Ik kroop in bed en sloeg het boek open. ‘De Ridder van de Raadsels’ heette het verhaal dat ik aan het lezen was. ‘Zou ik dan soms dronken zijn? Van de wijn? Van de wijn?’ las ik en… Wham! Van het ene moment op het andere was ik bedolven onder kalk en stro. Letterlijk het halve plafond was, zwaar en zwak geworden door de lekkage, omlaag gekomen, bovenop mij, op mijn bed op mijn bureautje, op Verhalen van de tweelingbroers. Een enorme stofwolk hing om me heen, grote spinnen kropen over de brokstukken, Doodstil bleef ik zitten, Het boek hield ik stevig in mijn handen geklemd en wonderlijk genoeg bleef ik er nog wel een minuut in doorlezen voordat eindelijk tot me begon door te dringen wat er was gebeurd.

Wat een merkwaardige gebeurtenis was dit! En wat een toeval dat die me bij het lezen van een boek van Tonke Dragt overkwam. Tenminste: toen dacht ik nog dat het toeval was…

De eerste keer dat ik Tonke ontmoette was nog vreemder.

Het was een koude voorjaarsavond in 1978. Ik liep door een stille, donkere laan in Den Haag, nerveus, want ik zou die avond voor het eerst op bezoek gaan bij Tonke Dragt. Ik was negentien jaar oud en wilde schrijver worden. Aan Tonke, die ook toen al een beroemde en geliefde schrijfster was, had ik een paar verhalen gestuurd en ik had haar gevraagd of ze die zou willen lezen. Nu zou ik van haar te horen krijgen, wat ze van de verhalen vond.

Ik belde aan en wachtte. Er gebeurde niets, Ik keek naar het raam naast de voordeur en zag dat in de kamer licht brandde. Ze was dus wel thuis. Nogmaals belde ik aan. Uit de luidspreker van de intercom naast de voordeur klonk gekraak.

‘Wie is daar?’ vroeg een woedende stem.
‘Rindert Kromhout,’ zei ik, ‘we hebben een afspraak.’
Het bleef even stil. Toen zei dezelfde woedende stem: ‘Vandaag? We hebben helemaal geen afspraak vandaag.’
Ik was verbaasd.
‘Bent u Tonke Dragt?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei de stem, ‘u hebt zich vergist. We hebben morgen een afspraak. Vandaag kan ik u niet ontvangen,’
Morgen?
‘Maar ik weet toch zeker dat…’ begon ik.
De stem onderbrak me. ‘Komt u morgen maar terug.’
‘Maar… ik weer zeker dat we vandaag hebben afgesproken,’ stamelde ik. Ik kwam er speciaal voor uit Rotterdam en wilde niet zomaar worden weggestuurd.
‘U vergist zich toch echt,’ zei de stem. Daarna was het weer stil.

Ik voelde me boos en teleurgesteld, vooral omdat ik zeker wist dat zij het was die zich vergiste en niet ik. Was ik dan echt voor niks gekomen? Moest ik nu onverrichterzake terug naar Rotterdam? Er zat niks anders op.

‘Goed, dan kom ik een andere keer wel terug,’ zei ik. ‘Maar mag ik dan misschien wel mijn verhalen mee naar huis nemen?’
‘Vooruit dan maar,’ zei de stem.
‘Komt u maar even binnen om uw verhalen mee te nemen.’
Door een druk op de knop opende ze de voordeur van het gebouw.

Via het trappenhuis kwam ik bij haar flat, waarvan de deur wijd openstond. Ik stapte de drempel over en kwam zo in een kleine hal met muren vol prenten en tekeningen uit kinderboeken. In een hoek stond een enorm poppenhuis met talloze kamertjes vol meubeltjes, poppen, spiegeltjes en lampjes. Ik keek om me heen, maar er was niemand te zien.

‘Bent u al binnen?’ vroeg een stem die van achter uit het huis kwam.
‘Ja!’ riep ik terug en ik wilde doorlopen.
‘Gaat u maar koffie zetten in de keuken!’ riep de stem. ‘Dan kan ik me aankleden.’
‘Lag u al op bed?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei de stem, ‘ik ben ziek.’
‘O, het spijt me dat ik u stoor,’ zei ik.
De stem zei niets meer, dus ging ik in de keuken maar op zoek naar een koffiepot.

Terwijl de koffie pruttelde en ik, verlegen omdat ik niet wist wat ik nu moest doen, door het keukenraam naar de pikzwarte tuin stond te staren, kwam een poes de keuken in. Ze mauwde vriendelijk en streek met haar vacht langs mijn been. Ik wilde het dier aaien en bukte, maar precies op dat moment liep de poes bij van vandaan en ging op weg naar twee benen die de keuken in kwamen. Ik keek op en zag de vrouw die bij deze twee benen hoorde: een mooie lange vrouw met warrige, donkere haren die alle kanten uit piekten. Ze zag er helemaal niet ziek uit.

Streng keek ze me aan en zei: ‘Wat bent u jong!’
‘Het spijt me echt dat…’ begon ik maar weer onderbrak ze me. ‘Zullen we “jij” tegen elkaar zeggen? Ga maar naar de woonkamer, dan schenk ik koffie in. Daarna geef ik je de verhalen en dan moet je weg.’

Bijna vier uur later nam ik afscheid, gehaast, omdat ik anders de laatste trein zou missen. Geheel onverwacht was het toch een prachtige avond geworden. Er was met geen woord meer gesproken over dat ik een dag te vroeg was gekomen. Wel hadden we gepraat over mijn verhalen, over Tonkes boeken, andere boeken, de poes, sterrenkunde, en nog meer boeken; nadat de koffie op was dronken we glazen wijn, we bekeken het poppenhuis en… kortom: de avond was omgevlogen en de vrouw die me een paar uur eerder nog ze streng had toegesproken door de intercom was nu mijn vriendin.

Behalve Verhalen van de tweelingbroers heb ik natuurlijk ook al haar andere werk gelezen en geleerd dat dat ingestorte plafond beslist geen toeval kan zijn geweest en dat eerste wonderlijke bezoek aan haar huis in Den Haag ook niet.

Vreemde, geheimzinnige gebeurtenissen als je een boek aan het lezen bent, een leeg huis waar niemand te zien is en alleen een stem te horen, onverwacht opduikende poezen, nachtdonkere tuinen… voor wie de boeken van Tonke Dragt kent zijn dit de gewoonste dingen van de wereld.

Een leven vol Tonke Dragt
Door Richard Thiel, juli 2007

Zonder Tonke Dragt zou mijn leven er nu ongetwijfeld anders uitzien, maar op welke manier anders is moeilijk te zeggen.

Al op jonge leeftijd maakten haar boeken indruk op me. Een van mijn vroegste leesherinneringen gaat over De brief voor de koning: ik lig op mijn buik op de vloer en lees dat boek. Ik was toen een jaar of tien.

Een andere leesherinnering te maken met Torenhoog en mijlen breed. Ik las het toen ik een jaar of veertien was en ik was totaal overdonderd door dit boek. Ik las het direct nadat ik het uit had nog een keer. Dat doe ik eigenlijk nooit.

Ik bleef haar boeken lezen en herlezen. En herlezen. Toen ik jaren later tijdens mijn werk in de universiteitsbibliotheek van Tilburg aan het experimenteren was met het nog jonge World Wide Web, was de keus om als probeersel een website over Tonke Dragt te bouwen misschien wat willekeurig, maar niet onlogisch.

Ik bouwde het probeersel steeds verder uit, de site werd een grote kinderboekensite, de site verhuisde twee keer, maar Tonke Dragt hield er steeds een speciaal plekje. Ik ben nu zoveel tijd kwijt met de website dat het eigenlijk een tweede baan is geworden. En dat begon dus allemaal met Tonke Dragt.

< terug naar de pagina over Tonke Dragt

Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Wil je op de hoogte blijven van alle kinder- en jeugdboeken van Leopold, maar ook Ploegsma, Querido, Manteau en Zwijsen? Schrijf je dan nu in op de Kinderboekennieuwsbrief!

Sluiten Schrijf in!